Eerste indrukken vanuit Cannes 2011

 

Serge van Duijnhoven 

Cinema Redux / International Feature Agency

 

 

La Croisette

 

Voor al wie zich uit passie of professie, een aanhanger wil noemen van de Muze van de Film en de Cultus der Sublieme Illusie, is het deze en volgende week verzamelen geblazen in Cannes. Cannes, het mondaine plaatsje aan de Cote d’Azur dat zich voor tien dagen tot de navel van de wereld op weet te blazen. Een hedendaags Delphi, waar het Palais des Festivals aan het begin van de kilometerslange Croisette de oppertempel vormt voor zo’n vierduizend journalisten en een veelvoud aan industrielen, cinefielen en pr-mensen, die er driemaal daags hun processie rond de Rode Loper op komen voeren. Cannes, oord van katzwijm en vervoering, inbeelding, blingbling en met een beetje geluk ook nog verbeelding. Cannes dus, waar dit jaar voor de 64e maal de Spelen van het Witte Doek plaats zullen vinden.

Voorzitter van de hoofdjury is Robert De Niro, geflankeerd door Uma Thurman, Linn Ullman, en nog wat

schoon volk uit alle windstreken. In tegenstelling tot Tim Burton, de flamboyante juryvoorzitter van vorig

jaar, die zijn taakstelling destijds op Olympische wijze formuleerde met de aankondiging vooral die films

naar voren te schuiven die “kloppen op de deuren en ramen  van onze verbeelding” (wat een

verrassende Gouden Palm opleverde voor Apichatpong Weerasethakul’s juweeltje Uncle Boonmee Who

Can Recall His Past Lives), blonk steracteur De Niro bij aanvang van het festival uit in een lummelige, ongeinteresseerde vorm van blaseheid die hij blijkbaar bij zijn status vond passen. Onderuitgezakt, met een leesbril nonchalent voor op de neus, gelijkend op een koudbloedige vis vanachter het glas van zijn aquarium, verkondigde hij dat het hem vooraf weinig kon schelen waar de films in de competitie over zouden gaan en dat hij niet wist door welke maatstaven waar hij zich bij voorbaat wilde laten leiden. Behalve dan door de helpende hand van Thierry Fremiaux de festivaldirecteur die hji verzocht had hem de criteria op een gouden blaadje aan te bieden.

Gelukkig was er ook de hulp van medejurylid Olivier Assayas, regisseur van het hier vorig jaar vertoonde epos CARLOR over Carlos de Jakhals, die zijn voorzitter enige treffende woorden voorfluisterde dat de jury vooraf niet over pasklare criteria kon bezitten omdat werkelijk grote films nu eenmaal hun eigen standaard zetten en nieuwe criteria aan de filmgeschiedenis toevoegen.

Langs die meetlat bezien, en het festival is nog pril en gaat vandaag alweer goedgemutst zijn vierde dag pas in, zijn er toch al een paar bijzondere films uit de doos van de Gebroeders Lumiere tevoorschijn getoverd. Zo was de Openingsfilm van Woody Allen – Midnight in Paris – bijzonder geslaagd als romantisch sprookje dat hoofdpersoon Owen Wilson klokslag middernacht met een oude Peugeot midden in de Roaring Twenties deed belanden, tussen het verkwikkende gezelschap van Zelda en Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Gertrude Stein, Pablo Picasso, Braque, Bunuel. En een schitterende Adrian Brody met snor, die een hilarische versie van Salvador Dali tot leven wist te wekken. Een film om van te smullen.

Voorts wist de Engelse Linne Ramsey veel indruk te maken met haar bitterzwarte, loodzware noodlotsdrama We Need To Talk To Kevin, over een kind dat opgroeit tot een massamoordenaar – als de vervullnig van een missie om de ultieme kwelduivel van zijn moeder Tilda Swinton te kunnen zijn. Alles gefilmd in Cinevision, panoramisch vervloeiende kleuren en gefragmenteerde spectra die het geheel alsnog als een esthetische zij het niet smakelijke amuse gueule op wisten te dienen.  Het meeste indruk op mij maakte de nieuwe klapper van Gus van Sant, Restless. Film die de aftrap mocht geven in de nevencompetitie Un Certain Regard. Ik heb het, moet ik bekennen, nauwelijks een minuut drooggehouden bij die film over een terminale kankerpatiente en een getraumatiseerde wees die zijn ouders verloren is bij een auto-ongeluk (een rol met verve gespeeld door de zoon van de onlangs overleden Easy Rider Dennis Hopper, aan wie de film trouwens is opgedragen). Snotterend, vanachter een zonnebril, een zakdoek bij de hand, heb ik me mee laten voeren door dit feeerieke verhaal van twee Orphische geliefden die in de limbo tussen leven en dood nog heel even de liefde van hun leven mogen beleven. Deze film, beste luisteraars, is Grote Kunst. En heus niet alleen voor bakvisjes, zoals The Hollywood Reporter in zijn Review gister schreef. Omdat het zeer precies voldoet aan de definitie die papa Hemingway ons in Woody’s film voorhoudt: “all art is only good, real good, if it eases the pain of living. And all the rest? Is drunken dumbshow or drugged out prop up for life as a moveable feast…”

© Serge van Duijnhoven, voor Opium Radio, zaterdag 14 mei 2011 vanuit Cannes

This entry was posted in Apichatpong Weerasethakul, CANNES 2011, Gus van Sant, Linne Ramsey, Woody Allen. Bookmark the permalink.

One Response to Eerste indrukken vanuit Cannes 2011

  1. Abnormally well executed piece of writing

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s